Sign. - Toepassing Hoge Raad 11 december 2009 (Van Hooff Elektra)


Werkneemster verzoekt tijdens opzegtermijn ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding wegen het vinden van een nieuwe baan. De kantonrechter oordeelt als volgt. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden billijkheidshalve behoort te eindigen op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd. Pas als dat het geval is, komt de kantonrechter toe aan de vraag of er een vergoeding aan de werknemer moet worden toegekend. Die vergoeding zal dan betrekking hebben op de periode gelegen tussen de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de datum waartegen is opgezegd. Voor een vergoeding die betrekking heeft op de periode vóór de ontbindingsdatum en ná de datum waartegen is opgezegd, is in deze procedure geen plaats. Daarvoor zal de werknemer de weg van artikel 7:681 BW moeten bewandelen. Nu vaststaat dat werkneemster per 1 februari 2010 een nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden, dient de arbeidsovereenkomst op grond van die verandering in de omstandigheden billijkheidshalve eerder dan 1 april 2010 te eindigen. De verzochte ontbinding zal daarom worden toegewezen per 1 februari 2010. Met betrekking tot de vergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. Werkneemster heeft een nieuwe dienstbetrekking gevonden voor (in eerste instantie) een periode van zes maanden met een proeftijd van één maand en een salaris dat ruim € 300,= bruto per maand lager ligt dan haar huidige salaris. Anderzijds spaart werkgever in ieder geval twee maandsalarissen uit, die zij aanvankelijk gehouden was aan werkneemster te betalen. Onder deze omstandigheden dient werkneemster in relatie tot werkgeefster geen negatieve gevolgen te ondervinden van het feit dat zij twee maanden voor het einde van haar dienstverband…

Verder lezen
Terug naar overzicht