Sign. - Toepassing van art. 6:89 BW (II)


In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de bijzondere zorgplicht van de bank bij beleggingsadviesrelaties, meer in het bijzonder de bijzondere zorgplicht die op de bank rust als de cliënt handelt in opties en futures, die mede strekt ter bescherming van de client tegen het gevaar van gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. Het door Kramer gestelde "gebrek" in de prestatie houdt in dat de bank in de nakoming van deze zorgplicht is tekortgeschoten. Kramer komt terecht op tegen het oordeel van het hof dat, nu Kramer volgens eigen zeggen in 2007 door publicaties over effectenleaseconstructies zich realiseerde dat op banken een zorgplicht rust en dat de bank deze zorgplicht in zijn geval mogelijk heeft geschonden, hij al in 2002/2003 onderzoek had behoren te doen naar het door hem gestelde tekortschieten van de bank in haar zorgplicht, omdat hij toen al op de hoogte was van berichten in de media over effectenleaseconstructies en hij zijn eigen situatie daarin herkende, en dat hij toen al forse verliezen had geleden. Uit het feit dat Kramer zich in 2007 door publicaties realiseerde dat op banken een zorgplicht rust en dat hij toen heeft laten onderzoeken of deze in zijn geval door de bank was geschonden, volgt immers niet dat hij het bestaan van die zorgplicht al in 2002/2003 uit vergelijkbare publicaties had moeten afleiden en dat daaruit voor hem in 2002/2003 al een onderzoeksplicht voortvloeide. Voorts geldt dat het hof niet heeft kunnen oordelen dat Kramer zich in elk geval reeds op 19 februari 2001, toen hij de helft van zijn kapitaal had verloren, had behoren te realiseren dat, gezien…

Verder lezen
Terug naar overzicht