Sign. - Toestemming vakantie naar Turkije


M en V hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit in 2007 zoon Z is geboren. M is geboren in het oosten van Turkije, maar heeft sinds 19 november 2009 de Nederlandse nationaliteit. Op 14 april 2010 heeft hij afstand gedaan van de Turkse nationaliteit. M heeft Z erkend.
Bij beschikking van de rechtbank van 6 december 2011 is bepaald dat het gezag over Z toekomt aan M en V gezamenlijk. Tevens heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij Z iedere woensdagmiddag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijft, alsmede een week in de voorjaarsvakantie, een week in de zomervakantie, en de helft van de feestdagen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Partijen hebben naar aanleiding van bovengenoemde beschikking afgesproken dat M in week 34 van het jaar 2012 Z mee mag nemen op vakantie.
Op 5 maart 2012 heeft V tegen voormelde beschikking hoger beroep ingesteld.
M vordert dat de voorzieningenrechter hem toestemming verleent om met Z een week op vakantie te gaan naar Turkije, alsmede dat V zal worden veroordeeld tot het afgeven van de ID kaart van Z.
V vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter aan de toestemming van M om met Z op vakantie te gaan, de voorwaarde verbindt dat M de vakantie met Z zal houden binnen de EU.
M legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij samen met Z zijn familie wil bezoeken in het oosten van Turkije, hetgeen hij in het belang van Z acht. Daarbij voert M aan dat hij sinds 2010 niet meer met Z op vakantie is geweest naar zijn ouders en dat zij behoefte hebben om hun…

Terug naar overzicht