Sign. - Toetsing rechtsmacht


M (van Nederlandse nationaliteit) en V (van Oekraïense nationaliteit) zijn in Oekraïne met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is in 2010 zoon Z (van zowel Nederlandse als Oekraïense nationaliteit) geboren. In 2011 vestigt het gezin zich in Nederland, een jaar later verhuist V met Z weer terug naar Oekraïne, alwaar zij thans nog steeds verblijven. Het huwelijk tussen partijen is inmiddels door echtscheiding ontbonden. M en V oefenen gezamenlijk het gezag uit over Z.
Het verzoek van M tot teruggeleiding van Z naar Nederland is door de Oekraïense rechter – tot de hoogste instantie – afgewezen, omdat de verblijfplaats van Z in Oekraïne zou zijn.
M maakt een procedure in Nederland aanhangig, waarin hij verzoekt om alleen hem met het gezag over Z te belasten, diens hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen en een internationale zorgregeling vast te stellen.
M heeft in Oekraïne een teruggeleidingsprocedure aanhangig gemaakt, zodat beoordeeld dient te worden of de Nederlandse rechter (in het licht van artikel 7 HKBV 1996) bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift van M. In geval van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van het kind, is de rechter van de staat waarin het kind onmiddellijk voor de overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere staat en:
a. degene die gezagsrechten heeft in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust, of:
b. het kind in die andere staat zijn verblijfplaats heeft gehad gedurende een periode van ten minste een jaar nadat degene die gezagsrechten heeft, kennis heeft gekregen of…

Terug naar overzicht