Sign. - Totstandkoming vaststellingsovereenkomst, wilsovereenstemming, duidelijk en ondubbelzinnig


De werknemer is per 1 september 1972 bij (de rechtsvoorganger van) ABN AM RO in dienst getreden. In 2001 is een reorganisatie geweest. De vakbonden hebben een Deelakkoord bereikt op basis waarvan werknemers een stimuleringspremie konden krijgen bij vrijwillige beëindiging van het dienstverband. Op 15 november 2001 heeft de personeelsadviseur een aanvraagformulier voor de stimuleringspremie ingediend bij de werkgever. De werknemer heeft het formulier ook ondertekend en de uitdiensttredingsdatum 1 maart 2002 ingevuld en een vergoeding becijferd van circa fnof 580.000. Op 22 februari 2002 heeft ABN AM RO een beëindigingsovereenkomst toegezonden en op 14 maart 2002 een aangepaste versie. De werknemer heeft zich op 25 februari 2002 ziek gemeld en de beëindigingsovereenkomst niet ondertekend. Nadat de loonbetalingen per 1 maart 2002 zijn gestaakt laat de werknemer op 13 mei 2002 weten niet meer in te stemmen met beëindiging. ABN AM RO stemt daarmee niet in. De kantonrechter heeft, na zich eerst onbevoegd te hebben verklaard, de vorderingen afgewezen en het Hof heeft dat vonnis bekrachtigd. De werknemer stelt cassatie in. De Hoge Raad doet de cassatie af o.g.v. art. 81 RO. A-G Wissink concludeert in de zaak. Het hof heeft geconcludeerd dat het Deelakkoord als een aanbod conform het algemene verbintenissenrecht had te gelden. De vraag is vervolgens of de werknemer met het inzenden van het aanvraagformulier een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring heeft geuit gericht op beëindiging van het dienstverband. Het hof is van oordeel dat de informatievoorziening van de werkgever over de reorganisatie en het Deelakkoord voldoende is geweest. Het stond de werknemers vrij om het aanvraagformulier niet in te zenden. Met…

Verder lezen
Terug naar overzicht