Sign. - Tradingstop


Bij tussenvonnis is gedaagden opgedragen te bewijzen dat zij na de instelling van de tradingstop schadebeperkende opdrachten die geen verhoging van het risicoprofiel tot gevolg hadden, aan de bank hebben gegeven en dat de bank die opdrachten heeft geweigerd. Het geleverde bewijs is bij tussenvonnis geëvalueerd, waarna deskundigen zijn benoemd om de rechtbank voor te lichten ten aanzien van drie door gedaagden aan de bank verstrekte opdrachten. De vragen aan de deskundigen betreffen voor ieder van de drie opdrachten (1) of de opdracht schadebeperkend was, (2) of deze leidde tot een verhoging van het risico en (3) welke schade gedaagden hadden geleden. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 februari 2012 geoordeeld dat de bank twee opdrachten had moeten uitvoeren en ten aanzien van een derde opdracht een nadere toelichting door de deskundigen gelast in de vorm van een mondelinge behandeling bij de rechter-commissaris. Naar aanleiding daarvan oordeelt de rechtbank dat de opdracht geen schadebeperkende, niet risicoverhogende opdracht was. De deskundigen hebben in hun aanvullende deskundigenbericht en op de zitting opgemerkt dat zij van oordeel zijn dat de bank een van de posities op eigen initiatief had moeten verkopen en dat gedaagden hierdoor schade hebben geleden. Gedaagden hebben zich hierbij aangesloten. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij, nu in het tussenvonnis van 22 januari 2003 reeds aan gedaagden was opgedragen te bewijzen dat zij schade hebben geleden doordat de bank de putopties op eigen initiatief had moeten verkopen en dit heeft nagelaten. Die bewijsvoering heeft niet geleid tot de beslissing dat gedaagden schade hebben geleden als gevolg van het feit dat de bank niet op eigen initiatief posities heeft gesloten. Ook overigens is…

Verder lezen
Terug naar overzicht