Sign. - Trustkantoor zonder vergunning


A BV heeft gedurende ruim vier jaar na intrekking van haar aanvraag voor een vergunning trustdiensten te verlenen onder de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) trustdiensten uitgevoerd. DNB heeft haar hiervoor beboet. A vecht bij de rechtbank (zonder succes) de hoogte van boete aan. In beroep stelt A ook ter discussie of DNB van haar bevoegdheid een boete op te leggen gebruik had mogen maken. Het College is van oordeel dat DNB in dit geval niet in haar processuele belangen is geschaad en laat de grieven toe. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het College voorop dat A niet is opgekomen tegen het oordeel dat zij zonder vergunning als trustkantoor werkzaam is geweest en aldus art. 2 lid 1 Wtt heeft overtreden. A heeft ernstig verwijtbaar gehandeld aangezien zij vier jaar en drie maanden haar trustdiensten heeft voortgezet, terwijl zij wist dat dit niet was toegestaan. Zij heeft deze dienstverlening pas gestaakt ruim een jaar en drie maanden nadat DNB een onderzoek was gestart. De stelling van A dat zij nimmer heeft gefactureerd voor domicilieverlening, gaat eraan voorbij dat als trustdienst wordt aangemerkt domicilieverlening in samenhang met de andere bijkomende werkzaamheden als bedoeld in art. 1 aanhef en onder d sub 2 Wtt, en dat niet in geschil is dat A dergelijke, bijkomende, werkzaamheden heeft verricht en hiervoor heeft gefactureerd. Dat volgens A de trustdiensten niet de kernactiviteiten waren en na de beëindiging van de verlening van de trustdiensten haar (totale) omzet niet is gewijzigd doet hieraan evenmin af, waarbij in aanmerking wordt genomen dat A jaarlijks gemiddeld ruim € 105.000 aan omzet uit de niet toegestane dienstverlening heeft behaald…

Verder lezen
Terug naar overzicht