Sign. - Uithuisplaatsing van kind met KOPP-problematiek


Het hof beoordeelt de beschikking waarin de machtiging uithuisplaatsing van de 12-jarige met KOPP-problematiek (kinderen van ouders met psychiatrische problemen) is verlengd.
Volgens de moeder is de machtiging tot uithuisplaatsing van het kind ten onrechte verlengd. In haar visie wordt het kind niet dusdanig bedreigd in haar ontwikkeling bij de moeder thuis, dat het noodzakelijk is om de uithuisplaatsing voort te laten duren. De behandeling en de begeleiding van het kind kan vanuit de thuissituatie plaatsvinden, waaraan de moeder wil meewerken. Volgens haar staat niet vast dat sprake is van de KOPP-problematiek bij het kind. De moeder heeft gesteld dat het in het belang van het kind dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt opgeheven.
Het hof beoordeelt aan de hand van artikel 1:261 lid 1 BW of de machtiging uithuisplaatsing terecht verlengd is. Deze beoordeling houdt in dat nagegaan wordt of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Het hof is van oordeel dat aan deze maatstaf voldaan is. Uit onderzoek is gebleken dat het kind bedreigd wordt in haar sociale en emotionele ontwikkeling. Er zijn sterke aanwijzingen voor KOPP-problematiek bij het kind: ze heeft een sterke controlebehoefte, vertoont geparentificeerd gedrag ten aanzien van haar moeder en heeft een wantrouwende en weinig open houding jegens de buitenwereld. De moeder heeft onvoldoende gesteld waarom het rapport onjuist zou zijn. Het hof acht verdere behandeling van het kind dan ook noodzakelijk. Deze behandeling kan niet in de thuissetting plaatsvinden, aangezien de moeder haar eigen problematiek – en de…

Terug naar overzicht