Sign. - Uitleg cao-bepaling


In oktober 2003 wordt de werknemer arbeidsongeschikt en op 28 februari 2006 beëindigt zijn werkgever zijn arbeidsovereenkomst door opzegging. De toepasselijke cao kent een suppletieregeling die bepaalt dat volledig arbeidsongeschikte werknemers gedurende de eerste vier jaren een aanvulling op hun WAO-uitkering zullen ontvangen. Na het einde van de arbeidsovereenkomst is de werkgever niet meer bereid deze suppletie te betalen, omdat er geen sprake meer is van een ‘werknemer’ zoals de cao eist, maar van een gewezen werknemer. De (inmiddels gewezen) werknemer bepleit dat de nadruk niet zozeer op de term ‘werknemer’ moet worden gelegd, maar op de aanwezigheid van volledige arbeidsongeschiktheid, waardoor de werkgever ook na het einde van de arbeidsovereenkomst nog suppletie dient te betalen. De kantonrechter oordeelt dat uit de bewoordingen van de cao-bepaling de precieze strekking niet goed kan worden afgeleid. Bij deze taalkundige ongewisheid dient gezocht te worden naar de meest zinnige strekking van de bepaling. Anders dan de werkgever ziet de kantonrechter geen goede grond voor de conclusie dat de duur en daarmee de omvang van de WAO-aanvulling afhankelijk zou zijn van het tijdstip van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De vordering tot suppletie van de werknemer wordt toegewezen.

(Ktr. Den Bosch 18 december 2008, LJN BH0414) 

Verder lezen
Terug naar overzicht