Sign. - Vader is geen belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv


De maatregel van ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel die door de kinderrechter kan worden uitgesproken indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1:254 BW is voldaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is een uit de ondertoezichtstelling voortvloeiende maatregel, die geïndiceerd kan zijn indien de gronden bedoeld in artikel 1:261 BW zich voordoen.
Uit de aard van de in geding zijnde maatregelen volgt dat enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen, dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouders), zijn betrokken. Daarom kunnen in een geval als het onderhavige slechts als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv worden beschouwd – naast de instellingen en organen die ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW de uithuisplaatsing kunnen verzoeken (het bij de ondertoezichtstelling betrokken Bureau Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie) – : de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (zie artikel 1:263 lid 2 BW), onverminderd, in geval van een jonger kind, de toepassing van artikel 1:377g BW. Daarnaast is het mogelijk dat een biologische vader als belanghebbende kan worden aangemerkt ingeval hij in gezinsverband met de minderjarige heeft samengewoond.
In het onderhavige geval staat vast dat de vader niet (mede) is belast met het gezag over de minderjarige. De vader heeft voorts nimmer in gezinsverband geleefd…

Verder lezen
Terug naar overzicht