Sign. - Verboden eisen aan dienstverlener


‘Oude’ lidstaten mogen beperkende voorwaarden stellen aan het in hun land verrichten van werkzaamheden door werknemers afkomstig van de per 1 mei 2004 toegetreden lidstaten. Dergelijke voorwaarden kunnen echter niet worden gesteld aan de vrijheid van vestiging van ondernemingen en zelfstandigen uit deze toegetreden lidstaten. Omdat het moeilijk is onderscheid te maken tussen sommige groepen van zelfstandigen die zich in Oostenrijk willen vestigen enerzijds en werknemers die in Oostenrijk willen werken anderzijds, en misbruik daardoor relatief eenvoudig is, bepaalt de Oostenrijkse wetgeving dat inschrijving als zelfstandige in het handelsregister van Oostenrijk door personen uit de toegetreden lidstaten behoudens enkele uitzonderingen niet mogelijk is. Deze personen worden als werknemer beschouwd, tenzij zij een verklaring kunnen verkrijgen van een Oostenrijkse instantie waaruit volgt dat zij inderdaad zelfstandigen zijn. Het is aan deze personen om te bewijzen dat zij werkelijk zelfstandigen zijn. De Europese Commissie acht deze wetgeving in strijd met art. 43 EG (vrijheid van vestiging). Het EHvJ oordeelt dat dit artikel verbiedt onderscheid te maken naar nationaliteit voor het vestigen van een onderneming. De Oostenrijkste wetgeving overtreedt dat verbod. De vraag is of dit op grond van art. 46 EG objectief wordt gerechtvaardigd. Oostenrijk doet een beroep op de openbare orde. Wil zo'n beroep slagen dan dient er sprake te zijn van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Voorts moet de rechtvaardiging als uitzondering op de hoofdregel restrictief worden uitgelegd. Tot slot moet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit worden voldaan. Oostenrijk heeft onvoldoende aangetoond dat mogelijke misbruik van de vrijheid van vestiging een ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving…

Verder lezen
Terug naar overzicht