Sign. - Verbodenverklaring en ontbinding vereniging Martijn


Art. 2:20 BW brengt met zich dat de rechtbank Vereniging Martijn verboden moet verklaren en haar ontbinding moet uitspreken als blijkt dat de werkzaamheid van de vereniging in strijd is met de openbare orde. Uit de wetsgeschiedenis en uit de rechtspraak volgt dat het begrip "werkzaamheid" in art. 2:20 BW de daden van de vereniging betreft en/of de woorden die de vereniging spreekt of schrijft. De rechtbank neemt bij de beoordeling mee, daar gelet op art. 8 Grondwet en art. 11 EVRM het recht van vereniging en vrije meningsuiting grondbeginselen van de Nederlandse rechtsstaat zijn, de rechtbank art. 2:20 BW terughoudend zal toepassen en alleen strijd met de openbare orde aannemen als inbreuk wordt gemaakt op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel. De werkzaamheid van de vereniging, bezien vanuit de onderlinge samenhang en het onderlinge verband van het op de webpagina's van haar website aangeboden materiaal en haar opvattingen zoals haar bestuursleden die openbaar maken, geeft volgens de rechtbank blijk van een streven dat een ernstige inbreuk vormt op de geldende fundamentele waarden binnen onze samenleving en daarom indruist tegen onze rechtsorde. De vereniging creëert of draagt daarmee bij aan het bestaan van een subcultuur waarbinnen seksuele handelingen tussen volwassenen en kinderen als normaal en acceptabel gelden. Daarmee tast de vereniging de rechten van kinderen aan. De bescherming van de seksuele integriteit van kinderen vormt onmiskenbaar één van de meest wezenlijke beginselen van onze rechtsorde. De Nederlandse rechtsstaat behoort ook vanuit internationaalrechtelijk perspectief voor die inbreuk geen ruimte te bieden. De rechtbank verklaart de vereniging verboden en ontbindt haar. De ontbinding brengt met zich…

Verder lezen
Terug naar overzicht