Sign. - Verbodenverklaring vereniging Martijn


Het hof is van oordeel dat de werkzaamheid van de vereniging Martijn weliswaar een ernstige aantasting vormt van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, maar dat van een dreiging van maatschappelijke ontwrichting geen sprake is. Het hof wijst het verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding van de vereniging af. Bulten gaat in haar noot eerst in op het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van een ontbonden vereniging. Het hof zoekt voor dit oordeel aansluiting bij het wettelijk systeem van ontbinding en vereffening. Nu een ontbonden rechtspersoon pas ophoudt te bestaan bij beëindiging van de vereffening, kan een procedure tegen een ontbonden rechtspersoon door lopen. Bovendien voert het hof twee meer fundamentele gronden aan voor ontvankelijkheid van een ontbonden rechtspersoon. Het uitgangspunt dat iemand recht heeft op beoordeling in twee feitelijke instanties alsmede het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) brengen mee dat de vereniging Martijn in hoger beroep mag en kan komen. Bovendien is het in strijd met het (niet expliciet door het hof genoemde) beginsel van fair trial indien het Om wel in hoger beroep zou kunnen, terwijl de vereniging Martijn zich zou moeten neerleggen bij de uitspraak waarin zij verboden wordt. De rechter verbiedt en ontbindt een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde (art. 2:20 lid 1 BW). Omdat er grondrechten in het geding zijn, staat de wetgever een restrictieve toepassing voor. Het moet gaan om de eigen werkzaamheid van de vereniging. Van toerekening van gedragingen van derden kan pas sprake zijn indien de rechtspersoon (of het bestuur) daadwerkelijke zeggenschap over die derde heeft gehad of als er…

Verder lezen
Terug naar overzicht