Sign. - Vergelijkbaarheid van lichamen in outbound-situaties onder het europees recht


Voor toepassing van de verdragsvrijheden (vestiging en kapitaalverkeer) uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het van belang dat een niet-ingezeten lichaam zich in een vergelijkbare situatie bevindt ten opzichte van een ingezeten lichaam voor toepassing van het Nederlandse belastingrecht. In dit kader is de afgelopen jaren een aantal aanpassingen gemaakt in de Nederlandse belastingwetgeving. De auteur behandelt in dit artikel de vergelijking tussen ingezeten en niet-ingezeten lichamen aan de hand van jurisprudentie en gaat vervolgens in op een aantal (lopende) wijzigingen die onder druk van de ontwikkelingen in het Europees recht tot stand zijn gekomen. Hij bespreekt achtereenvolgens de buitenlandse belastingplicht, de fiscale eenheid en de fiscale beleggingsinstellingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en tevens een aantal wijzigingen in de Wet op de dividendbelasting 1965. De auteur concludeert dat de vergelijkbaarheid van ingezeten en niet-ingezeten lichamen voor de toepassing van beide wetten in outboundsituaties verschillend wordt uitgelegd. Uit de jurisprudentie blijkt dat de fiscale behandeling van een niet-ingezetene in de woonstaat niet van belang is voor de toekenning van voordelen in de bronstaat. Wanneer de bronstaat de niet-ingezetene op dezelfde wijze in de heffing betrekt als de ingezeten belastingplichtige, moeten de fiscale voordelen die de bronstaat toekent aan overigens vergelijkbare ingezetenen op dezelfde voet worden toegekend. Verder is hij van mening dat voor vergelijkbaarheid met betrekking tot niet-ingezeten lichamen niet altijd duidelijke, objectieve criteria zijn geformuleerd. Tot slot beveelt hij dan ook aan om de vergelijkbaarheid van buitenlandse lichamen voor de Nederlandse belastingwetgeving in objectieve criteria te vatten, of een beleidsbesluit te publiceren waaruit blijkt welke niet-ingezeten lichamen…

Verder lezen
Terug naar overzicht