Sign. - Verklaringsprocedure


Het faillissement heeft tot gevolg dat het door eiseres ten laste van failliet onder gedaagde gelegde beslag vervalt (art. 33 Fw), zodat eiseres in beginsel geen aanspraak kan maken op betaling door gedaagde van de eventueel onder het beslag vallende vordering(en). Eiseres meent dat failliet ten tijde van de beslaglegging door eiseres een vordering op gedaagde had van € 47.255,52 en dat gedaagde dat bedrag in weerwil van het beslag aan de Belastingdienst heeft betaald. Voor zover dat betoog juist is, moet in beginsel - er wordt hier geabstraheerd van de vraag of gedaagde ten opzichte van de boedel bevoegd was aan de Belastingdienst te betalen - worden aangenomen dat de betreffende vordering als gevolg van de betaling teniet is gegaan en dus niet onder het faillissementsbeslag valt. Ten opzichte van eiseres geldt in dat geval dat die betaling ex art. 475h Rv niet aan haar kan worden tegengeworpen en zij gedaagde buiten het faillissement van failliet om kan aanspreken alsnog aan haar te betalen. Om te beoordelen of het betoog van eiseres juist is, is het noodzakelijk de door gedaagde afgelegde verklaring te beoordelen. gedaagde heeft kennelijk op 19 april 2013 de door haar op 19 maart 2013 afgelegde verklaring herroepen en gewijzigd. Het staat de derde-beslagene in beginsel vrij een afgelegde verklaring te herroepen, behoudens - voor zover hier van belang - het geval dat deze zijn recht heeft verwerkt zich erop te beroepen dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Vraag is of gedaagde door de betaling aan de Belastingdienst van de vordering van failliet op haar, het recht heeft verwerkt haar verklaring te herroepen en wijzigen. Of…

Verder lezen
Terug naar overzicht