Sign. - Verkoop geldzakvennootschap


Vooropgesteld wordt dat de aansprakelijkheid van A als verkoper van de aandelen gelet op art. 40 IW 1990 alleen kan worden aangenomen indien komt vast te staan dat hij ten tijde van de verkoop wist of behoorde te weten dat Marisan zou worden leeggehaald, zodat inning van de nog verschuldigde vennootschapsbelasting onmogelijk zou worden. Voor het aannemen van een ruimere aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de verkoper van de aandelen in een kasgeldvennootschap ten tijde van de aan A verweten gedragingen, bestaat geen aanleiding. Het enkele door de verkoper achterwege laten van maatregelen ter zekerstelling van de belangen van de Ontvanger, terwijl rekening gehouden moest worden met de mogelijkheid van leeghalen, was naar de toen geldende maatstaven niet onrechtmatig. Niet kan worden vooruitgelopen op de "zwakke norm" van art. 40 IW 1990 (nieuw), die pas op 1 januari 2001 in werking is getreden. Nu de Ontvanger niet kan aantonen of aannemelijk maken dat A bij de verkoop wist of behoorde te begrijpen dat Marisan zou worden leeggehaald, kan A niet aansprakelijk worden gehouden in zijn hoedanigheid van verkoper. De Ontvanger heeft A ook aangesproken in zijn hoedanigheid van bestuurder van Marisan. In dat kader heeft hij verwezen naar het arrest Ontvanger/Roelofsen (HR 8 december 2006, «JOR» 2007/38). Volgens de Ontvanger lijkt de Hoge Raad in dit arrest te onderkennen dat het voor een schuldeiser niet altijd mogelijk is om te bewijzen dat de bestuurder wist of behoorde te weten dat een vennootschap "geen verhaal" zou bieden, zodat het – voor aansprakelijkheid van de bestuurder vereiste – aan de bestuurder te maken ernstige persoonlijke verwijt ook uit andere…

Verder lezen
Terug naar overzicht