Sign. - Verlenen beleggingsdiensten zonder vergunning


Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het betoog van verzoekers voor zover dat betrekking heeft op de motivering van de besluiten 2 en 4 (waarbij AfM heeft overwogen dat de bezwaarmakers geen rechtstreeks belang hebben bij de aan de andere vennootschappen opgelegde lasten, zodat de bezwaren wegens het niet zijn van belanghebbende nietontvankelijk zijn), op grond van hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 september 2012 («JOr» 2012/296). Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers op grond van het volgende geen van allen nog enig procesbelang bij hun bezwaren. gelet op de intrekkingsbesluiten lag er ten tijde van de besluiten 1 t/m 4 geen enkele last meer voor. De enkele omstandigheid dat door verzoekers ook bezwaar is gemaakt tegen de intrekkingsbesluiten maakt dit niet anders. Het belang dat verzoekers in het kader van hun verzoek om voorlopige voorziening naar voren hebben gebracht is gelegen in de handelwijze van de AfM die eruit bestaat dat zij met Ocmer op minnelijke wijze afspraken heeft gemaakt over het verstrekken van de eerder gevorderde informatie aan de AFM. Het oogmerk van verzoekers in deze procedure is dat bestuursrechtelijke rechtsbescherming aan hen wordt geboden tegen de feitelijke verstrekking van informatie door Ocmer aan de AFM. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de bestuursrechter niet geroepen een daarop gericht verzoek in te willigen. De bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter brengt met zich dat buiten de beoordeling van besluiten in de zin van art. 1:3 Awb dan wel het nalaten of weigeren een besluit te nemen, geen taak ligt voor de bestuursrechter en dat de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van…

Verder lezen
Terug naar overzicht