Sign. - Verlenen beleggingsdiensten zonder vergunning II


De voorzieningenrechter van het College constateert dat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 3 oktober 2012 heeft beslist op het verzoek van A («joR» 2012/324). Het betoog van A dat de voorzieningenrechter van de rechtbank daartoe niet bevoegd was, slaagt niet. Uit de jurisprudentie volgt de regel dat zodra in een zaak hoger beroep is ingesteld, uitsluitend de voorzieningenrechter van het betrokken appelcollege bevoegd is om toepassing te geven aan de art. 8:81 en 8:87 Awb. Deze regel is in dit geval echter niet van toepassing. Aan bedoelde jurisprudentie ligt de gedachte ten grondslag dat het onwenselijk moet worden geacht dat een zaak – materieel – tegelijkertijd aanhangig is in eerste aanleg en in hoger beroep. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake, althans niet in materiële zin. Zoals overwogen in de uitspraak van het College van 4 juli 2012 bestaat de verwachting dat het College in hoger beroep zich onbevoegd zal verklaren, omdat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het in art. 20 lid 3 aanhef en onder d Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie opgenomen verbod om hoger beroep bij het College in te stellen tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in art. 8:84 lid 2 Awb, in dit geval kan worden doorbroken. Gezien het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter van het College dat hij niet bevoegd is op het verzoek van A te beslissen, althans niet met een inhoudelijke beoordeling. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bevoegdelijk op het verzoek beslist en met diens beslissing zal A het vooralsnog moeten doen. De uitspraken die in «joR» 2012/324…

Verder lezen
Terug naar overzicht