Naar de inhoud

Sign. - Vermogensbeheer zonder vergunning

Een in publiekrechtelijke toezichtswetgeving neergelegd vergunningsvereiste is onmiskenbaar een wetsbepaling met een dwingend karakter. Daarmee ligt de vraag voor of het in art. 7 Wte 1995 opgenomen voorschrift ertoe strekt de geldigheid van een met dit voorschrift strijdige rechtshandeling aan te tasten. Steeds zal aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden onderzocht of de strekking van het overtreden voorschrift meebrengt dat de daarmee strijdige rechtshandeling aantastbaar is. Bij dit onderzoek naar de kennelijke strekking van het geschonden voorschrift zal mede in het oog gehouden moeten worden of ongedaanmaking van hetgeen in strijd met dwingend recht is verricht, kan geschieden zonder onevenredig grote nadelige consequenties, zowel voor de rechtsreeks betrokkenen als – met name in geval van vernietiging – voor derden. Evenals de rechtbank ziet het hof in de toelichting op het sinds 1 januari 2007 van kracht zijnde art. 1:23 Wft een aanknopingspunt voor het oordeel dat ook de strekking van het voorheen in art. 7 Wte 1995 gestelde vergunningsvereiste niet vergde dat een zonder vergunning gesloten overeenkomst van vermogensbeheer uitsluitend om die reden nietig of vernietigbaar is. Het door Kiekebelt c.s. opgeworpen bezwaar dat art. 1:23 Wft niet met terugwerkende kracht mag worden toegepast is niet ter zake. Aan de toelichting op deze nadien in werking getreden bepaling wordt slechts deze betekenis toegekend dat daarin van de meest gezaghebbende zijde is vastgesteld dat voorheen onduidelijk was in hoeverre het niet in acht nemen van bepalingen uit de financiële toezichtwetgeving tot civielrechtelijke consequenties diende te voeren, dat daar in de rechtspraak in uiteenlopende zin over is geoordeeld en dat er bij het toepassen van art. 3:40 lid…