Sign. - Vermogensrechtelijk geschil


Een belangrijk deel van de door verzoekster (50%-aandeelhouder en thans enig bestuurder) aangevoerde bezwaren en verwijten zijn terug te voeren op onenigheid tussen beide aandeelhouders over de inhoud van hetgeen tussen hen bij de start van de onderneming is overeengekomen over hun wederzijdse inbreng en over de daarmee samenhangende financiële verhouding tussen de vennootschap en de vennootschappen van haar andere 50%-aandeelhouder (en voormalig bestuurder) bij de uitvoering van projecten. Bij beantwoording van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan de juistheid van het beleid van de vennootschap te twijfelen, kan niet worden uitgegaan van het bestaan van verder strekkende afspraken tussen partijen zoals door verzoekster gesteld. De bezwaren tegen de (betaalde) facturen van de aan de medeaandeelhouder gelieerde vennootschappen duidt op een vermogensrechtelijk geschil tussen de aandeelhouders en levert op zichzelf geen gegronde reden op om aan juistheid van het beleid te twijfelen. Daarbij komt dat de facturen inmiddels de inzet vormen van een procedure bij de rechtbank. Daarom moet worden aangenomen dat de civiele rechter zal oordelen over de financiële verhouding tussen partijen, zodat een door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek op dit punt ook niet opportuun is. Ook overigens zijn er geen gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid.
(Hof Amsterdam (OK) 22 mei 2012, ARO 2102/80, CPS International BV)

Verder lezen
Terug naar overzicht