Sign. - Verpanding middels ‘verzamelpandakte’- constructie is geldig


Verpanding van vorderingen door middel van een verzamelpandakte met een volmachtbeding is dagelijkse praktijk bij (grote) kredietverleners. In bovenvermeld arrest toetst de Hoge Raad de geldigheid van deze vorm van verpanding. In dit geval betreft het een zakelijke klant van de bank. De Hoge Raad oordeelt dat een beding in een verzamelpandakte waarbij de bank een volmacht wordt gegeven teneinde verpanding van toekomstige vorderingen eenzijdig tot stand te brengen in de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is. Het beding is kenbaar voor de failliet. Daarnaast is het volmachtbeding gelijk aan het volmachtbeding dat deel uitmaakt van de Algemene Bankvoorwaarden. Ook het onherroepelijke karakter van de volmacht staat niet aan geldigheid in de weg. Voorts is geen sprake van Selbsteintritt in de zin van art. 3:68 BW. De bank is dan wel uit eigen hoofde partij bij de akte en tevens gevolmachtigde van de wederpartij. Echter, zij kan als gevolmachtigde geen invloed te eigen bate uitoefenen nu het vestigen van het pandrecht een specifiek omschreven rechtshandeling betreft, namelijk het vestigen van een pandrecht op vorderingen van de kredietnemer op derden. Verder toetst de Hoge Raad of de verpande vorderingen voldoende in de akte zijn bepaald, aangezien de namen van de pandgevers niet in de verzamelakte worden genoemd. Volgens de Hoge Raad staan de omstandigheden dat de namen van de pandgevers niet in de verzamelpand akte zijn vermeld en dat de pandgevers alleen generiek zijn omschreven, niet in de weg aan een rechtsgeldige verpanding van hun vorderingen op derden. Tot slot toetst de Hoge Raad of aanvaarding van deze verpandingsconstructie art. 3:239 lid 1 BW onaanvaardbaar zou ondergraven, omdat de verhaalsmogelijkheden van…

Verder lezen
Terug naar overzicht