Sign. - Verrekening


In a rt. 6:127 lid 2 BW is voor een verrekening op grond van de wet onder andere vereist dat partijen (in casu A en Y) wederkerig elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Aan dit vereiste is niet voldaan. Y had immers geen vorderingen op A tot afdracht van de (resterende) verkoopopbrengst, maar louter op geïntimeerde. Art. 6:127 BW is evenwel van regelend recht. Dit betekent dat partijen hun bevoegdheid tot verrekening kunnen uitbreiden. indien ervan wordt uitgegaan dat A, Y en geïntimeerde op 7 september 2007 zijn overeengekomen dat A zijn vordering op Y mocht verrekenen met vorderingen van Y op geïntimeerde, kan dit beding niet jegens de bank worden ingeroepen (Hr 20 januari 1984, NJ 1984, 512). Vaststaat immers dat de bank al eerder, namelijk op 18 september 2006, een openbaar pandrecht had verkregen op de vorderingen van Y op geïntimeerde, zodat vanaf dat moment alleen de bank bevoegd was de vorderingen van Y op geïntimeerde te innen. De later tussen A, Y en geïntimeerde gemaakte verrekeningsafspraak sorteert in zoverre geen effect jegens de bank. Art. 6:130 lid 2 BW biedt geïntimeerde ook geen soelaas. De schuld van Y tot terugbetaling van de lening aan A vloeit immers niet voort uit dezelfde rechtsverhouding als de aan de bank verpande vordering van Y op geïntimeerde. indien geïntimeerde geen partij was bij deze tussen A en Y gemaakte (verrekenings)afspraak, heeft deze verrekening hoe dan ook geen effect gesorteerd. Schuijling bespreekt aan de hand van «JOR» 2013/85 en «JOR» 2013/86 de…

Verder lezen
Terug naar overzicht