Sign. - Vervallenverklaring gelegde beslagen


Van een bewindvoerder in een voorlopige surseance mag worden verwacht dat hij op basis van de voorhanden zijnde gegevens op korte termijn een inschatting maakt van de levensvatbaarheid van de onderneming. indien hij concludeert dat zonder opheffing van de gelegde beslagen het faillissement van de onderneming zal moeten worden uitgesproken, gaat de rechtbank ervan uit dat die conclusie is gegrond op alle gegevens die hij heeft aangetroffen. Het vonnis van faillietverklaring zal tot gevolg hebben dat de gelegde beslagen komen te vervallen (art. 33 lid 2 Fw). Ook indien de surseance definitief zou worden verleend, zou dat gevolg optreden bij het in kracht van gewijsde gaan van die uitspraak. De wetgever heeft in een voorlopige surseance de mogelijkheid geschapen om een vroeger tijdstip te bepalen voor het vervallen van de gelegde beslagen, omdat er geruime tijd kan verstrijken voordat de definitieve beslissing over de surseance wordt genomen en het voor de boedel schadelijk zou zijn als het gelegde beslag bijvoorbeeld zou beletten een bestanddeel van de boedel te verkopen. Het belang van beslagleggers bij (tijdelijke) handhaving van de beslagen weegt in casu niet op tegen het belang van de onderneming en haar gezamenlijke crediteuren, aangezien de kans op gezonde voortzetting van de onderneming door de bewindvoerder reëel wordt geacht, maar zonder de gevraagde voorziening door hem wordt uitgesloten. Om de onderneming een overlevingskans te bieden, zal het verzoek worden toegewezen; een afwijzing ervan zal immers eveneens met een grote mate van waarschijnlijkheid tot gevolg hebben dat de gelegde beslagen op een andere grond komen te vervallen voordat de schuldeisers hun conservatoire beslagen executoriaal mogen zien worden. (Rb. Haarlem 7 oktober 2011, LJN BT7327, «JOR…

Verder lezen
Terug naar overzicht