Sign. - Vervangende toestemming tot erkenning en omgang


M en V hebben een affectieve relatie gehad, waaruit in 2009 dochter X is geboren. M is de verwekker van X en heeft haar erkend. Uit de relatie van partijen is in 2011 dochter Y geboren. M is haar verwekker, maar V weigert hem toestemming tot erkenning te verlenen. In december 2011 is V, zonder enig voorafgaand overleg met M en zonder zijn toestemming, met de kinderen vertrokken naar Kroatië. X en Y zijn sindsdien niet meer in Nederland geweest. V is volgens eigen zeggen niet van plan terug te keren naar Nederland. M verzoekt de rechtbank (1) hem vervangende toestemming te verlenen voor het erkennen van Y en (2) een omgangsregeling tussen hem en Y vast te stellen.
De rechtbank stelt vast dat het eerste verzoek geen kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, maar van afstamming, zodat niet de bevoegdheidsregel van artikel 5 Rv, maar die van artikel 3 Rv van toepassing is. De rechtbank is derhalve bevoegd van het eerste verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
Ten aanzien van haar bevoegdheid kennis te nemen van het tweede verzoek neemt de rechtbank in aanmerking dat ingevolge artikel 1 Rv buiten twijfel is dat verdragen en EG-verordeningen bij de bepaling van de rechtsmacht voorrang hebben boven de bepalingen van Rv. De bepalingen van Rv gelden dus slechts voor zover noch verdragen noch verordeningen van de EG van toepassing zijn.
Blijkens artikel 2 lid 7 Brussel II-bis wordt onder ouderlijke verantwoordelijkheid verstaan: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst, aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon…

Verder lezen
Terug naar overzicht