Sign. - Verzet tegen tussentijdse uitdelingslijst


Art. 179 Fw bepaalt dat de rechter-commissaris telkens wanneer hij meent dat er voldoende middelen (penningen) voor uitdeling aan de geverifieerde schuldeisers beschikbaar zijn, die uitdeling beveelt. De ratio van deze verplichting van de rechtercommissaris is gelegen in de veelal lange duur die met de afwikkeling van een faillissement gemoeid is, en in de belangen van erkende schuldeisers bij het zo spoedig als redelijk is ter beschikking krijgen van de aan hen in het faillissement toekomende middelen. Zolang het voor uitdeling beschikbare vermogen op een faillissementsrekening staat, is het maatschappelijk gezien in de dode hand en wordt het onttrokken aan het economisch verkeer. De tussentijdse uitkering heeft tot gevolg dat de schade ten gevolge van het faillissement van hun debiteur voor de erkende crediteuren zo veel als mogelijk wordt beperkt. Met art. 181 Fw wordt vervolgens voorzien in de belangen van schuldeisers wier schuldvorderingen zijn betwist maar voorwaardelijk in het faillissement zijn toegelaten. Deze bepaling gaat ervan uit dat uitdeling aan erkende schuldeisers kan plaatsvinden, ongeacht het feit dat schuldeisers wier schuldvordering vanwege betwisting slechts voorwaardelijk is toegelaten eerst aanspraak krijgen op uitkering van het voor hen op de uitdelingslijst uitgetrokken bedrag wanneer zij in de renvooiprocedure in het gelijk zijn gesteld of zoveel eerder als de curator hun schuldvordering alsnog erkent. Hoewel de schuldeisers wier schuldvorderingen aldus voorwaardelijk zijn toegelaten dan ook hetzelfde risico lopen dat opposante thans aanvoert ter motivering van haar verzoek de (verdere) behandeling van haar verzet tegen de tweede, tussentijdse uitdelingslijst te schorsen, heeft de wetgever dit geen belemmering geacht voor tussentijdse uitkeringen in een faillissement. De slotsom is dat de met art. 181 Fw geboden voorziening niet…

Verder lezen
Terug naar overzicht