Sign. - Vestiging pandrecht en benadeling schuldeisers


De door failliet verrichte prestatie is het vestigen van zekerheid. Gedaagden hebben zich als contraprestatie verbonden tot het vooralsnog niet opeisen van de vorderingen tot het moment dat daarvoor bij failliet de liquide middelen (weer) aanwezig zouden zijn. Er is daarom geen sprake van een rechtshandeling om niet. Benadeling van schuldeisers kan onder andere gelegen zijn in een verstoring van de paritas creditorum of in het teweegbrengen van een wijziging in de bestaande rangorde tussen schuldeisers, waarvan in de onderhavige kwestie sprake is. Dan is van belang of sprake was van wetenschap van benadeling bij zowel failliet als bij gedaagden. De curator draagt hiervan de bewijslast. Het bewijsvermoeden van art. 43 lid 1 Fw doet zich niet voor, nu op het moment van vestigen van de pandovereenkomst vrijwel geen liquide middelen aanwezig waren bij failliet. onder die omstandigheid kan de prestatie van gedaagden slechts als minimaal worden gekwalificeerd. Het was immers ook voorafgaand aan de totstandkoming van de pandovereenkomst reeds praktisch onmogelijk de vorderingen te incasseren, zodat gedaagden met het tijdelijk opgeven van de directe opeisbaarheid vrijwel niets hebben prijsgegeven. Daartegenover vertegenwoordigde de vestiging van het pandrecht potentieel wel een grote waarde. In de pandovereenkomst overtreft de waarde van de verbintenis aan de zijde van failliet aanmerkelijk de waarde van de verbintenis aan de zijde van gedaagden. Nu de pandovereenkomst onverplicht is gevestigd binnen een jaar vóór de faillietverklaring, wordt ook ten aanzien van de bestaande vorderingen uitgegaan van het wettelijk vermoeden dat bij zowel failliet alsook bij gedaagden sprake was van wetenschap van benadeling van de schuldeisers. De betaling door X (één van beide gedaagden) heeft plaatsgevonden na de datum van het faillissement…

Verder lezen
Terug naar overzicht