Naar de inhoud

Sign. - Voorwaarden voor onrechtmatige concurrentie (Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11477)

Op basis van een overeenkomst van opdracht verricht X vanaf december 2015 tandarts-werkzaamheden bij tandartsenpraktijk T. In juni 2016 berichten T en X elkaar de werkzaamheden te willen beëindigen. Kort na de beëindiging van de samenwerking begint X een eigen praktijk in dezelfde gemeente en benadert daarvoor patiënten uit de praktijk van T. In de overeenkomst van opdracht was geen concurrentie- of relatiebeding opgenomen. In kort geding vordert T onder meer X te verbieden actief patiënten van T te benaderen en veroordeling van X tot betaling van schadevergoeding.

Nu in de overeenkomst van opdracht geen concurrentie- of relatiebeding is opgenomen, mag volgens de voorzieningenrechter X in beginsel na het opzeggen van deze overeenkomst concurrerend jegens T handelen door een eigen praktijk te starten, ook als de praktijk van T daar nadeel van ondervindt. Het stond X in dat verband vrij om de patiënten die hij in opdracht van T behandelde te informeren over het feit dat hij niet langer bij T werkzaam zou zijn. Echter onder omstandigheden kan sprake zijn van onrechtmatige concurrentie. Volgens staande jurisprudentie (HR 9 december 1955, NJ 1956, 157) moet voor onrechtmatige concurrentie aan de volgende vereisten worden voldaan: 1. het stelselmatig en substantieel afbreken van; 2. het duurzame debiet van de voormalig werkgever, dat de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst (i.c. van de overeenkomst van opdracht) mee heeft helpen opbouwen; 3. met de hulpmiddelen die de werknemer daartoe vertrouwelijk van zijn voormalig werkgever ter beschikking kreeg.

Vaststaat dat X na zijn vertrek patiënten heeft benaderd die hij ten tijde van zijn werkzaamheden in opdracht van T in…