Sign. - VPV, handel met voorwetenschap


Aan de term "bijzonderheid" in art. 46 (oud) Wte 1995 komt de betekenis toe van "informatie die concreet is" en die term is blijkens de wetsgeschiedenis inhoudelijk in overeenstemming met het begrip "concrete informatie" in de Richtlijn marktmisbruik. Voorop moet worden gesteld dat de beantwoording van de vraag of sprake is van "concrete informatie" in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daaromtrent kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Bij de beoordeling van het begrip "koersgevoeligheid" heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat art. 46 (oud) Wte 1995 een aanzienlijke (significante) mate van invloed op de koers vereist. Het heeft de door de wetgever vereiste objectieve toets aangelegd, te weten "of de niet openbare informatie naar de ervaring leert, van het soort is dat voor beleggers relevant is bij het nemen van de beslissingen". Het oordeel van het hof komt erop neer dat de onderhandelingen van VPV met financiën op 17 september 1999 in een zodanige fase verkeerden dat informatie daaromtrent als koersgevoelige informatie in vorenbedoelde zin dient te worden aangemerkt. Dat oordeel geeft in het licht van de ten aanzien van de "koersgevoeligheid" aan te leggen maatstaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. In het hier toepasselijke art. 46 (oud) 1995 valt het vereiste van causaal verband tussen het verrichten van de transactie en de voorwetenschap niet te lezen, terwijl ook de wetsgeschiedenis van die bepaling voor het bestaan van een dergelijk vereiste…

Verder lezen
Terug naar overzicht