Sign. - Vrouw moet interen op haar vermogen


De rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie op nihil gesteld. In hoger beroep verzoekt V het hof de door M te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 3.500 per maand. V betwist de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde behoefte, alsmede de wijze waarop de rechtbank de behoefte heeft berekend. Bovendien, zo stelt V, is zij arbeidsongeschikt, zodat van haar niet verwacht kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Volgens M bedraagt de behoefte van V hooguit € 2.100 per maand en kan van haar verwacht worden dat zij inteert op haar vermogen. Daarnaast betoogt hij dat V wel degelijk in staat is om te werken.
Vaststaat dat V ten tijde van het huwelijk nimmer heeft gewerkt, maar dat neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat van haar mag worden gevergd dat zij werkzaamheden gaat verrichten om een eigen inkomen te verwerven. Het hof gaat er van uit, hetgeen ook van V mag worden verlangd gelet op het feit dat zij een studie Frans heeft voltooid, dat zij inspanningen blijft/gaat verrichten om in ieder geval door middel van het verwerven van een inkomen in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, temeer nu zij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gestelde medische beperkingen ook thans, meer dan tien jaar na haar operatie, een beletsel vormen om te gaan werken, bijvoorbeeld als (bij)lerares Frans of als vertaalster. Het hof is van oordeel dat van V kan worden verwacht dat zij in ieder geval over…

Terug naar overzicht