Sign. - Wanbeleid en bestuurdersaansprakelijkheid


Bestuurder Clercx heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder niet is ingegaan op "reële financieringsvoorstellen van een financier" een belangrijke oorzaak van het faillissement van Pondac is geweest. De vordering op grond van art. 2:248 lid 2 BW slaagt derhalve niet. De curator moet daarom op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. De curator heeft daarbij ook verwezen naar het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid van Pondac. indien personen die deel uitmaken van de organen van de vennootschap door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke (op art. 6:74 en/ of art. 6:162 en/of art. 2:138/248 BW) gebaseerde procedure, is de vaststelling van wanbeleid door de Ondernemingskamer – behoudens cassatie – weliswaar bindend voor diegenen die in de tweede fase van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar dit impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid (HR 8 april 2005, «JOR» 2005/119 (laurus)). De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs. De Hoge Raad lijkt een iets ruimere lijn te volgen voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW: het oordeel van de Ondernemingskamer dat van…

Verder lezen
Terug naar overzicht