Sign. - Zorgplicht jegens echtgenote borg


De zorgplicht van de schuldeiser jegens de borg strekt zich in beginsel niet uit tot de echtgenoot die op grond van art. 1:88 BW toestemming moet geven voor de borgtocht. Een andere beslissing zou niet in overeenstemming zijn met de rechtszekerheid en de eisen van een vlot en ongestoord rechtsverkeer. De bank is echter wel tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens eiseres als haar klant. Eisers hebben in dit verband onder andere aangevoerd (i) dat, gelet op de vaststaande feiten dat eiseres, net als eiser, reeds geruime tijd (privé) vaste klant was van de bank, dat zij tezamen met eiser een eerste en tweede hypotheek aan de bank had verleend voor ten dele hun gemeenschappelijke privéschulden aan de bank en dat zij tezamen met haar echtgenoot in verband met de borgstelling een derde hypotheek aan de bank verleende, een contractuele relatie bestond tussen eiseres en de bank waaruit voor de bank een zorgplicht voortvloeide jegens haar, ook met betrekking tot de verlening van de borgtocht; (ii) dat de bank wist dat eiseres (een aanzienlijk) privévermogen had; (iii) dat de bank wist en overzag dat borgstelling en hypotheek tot gevolg konden hebben dat dit privévermogen zou (moeten) worden aangesproken voor de gemeenschappelijke schulden van eisers aan de bank die voordien geheel gedekt werden door de reeds verleende eerste en tweede hypotheek; en (iv) dat eiseres dit voor haar ernstige gevolg – haar privévermogen fungeerde als pensioenvoorziening – niet heeft voorzien en overzien ten tijde van (haar medewerking aan) borgstelling en hypotheek. Het hof is ten onrechte zonder enige motivering voorbijgegaan aan deze stellingen die kunnen meebrengen dat…

Verder lezen
Terug naar overzicht