Sign. - Zwijgrecht komt aan oud-werknemers toe


In het onderzoeksrapport komt de NMa tot de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan de medewerkingsplicht van art. 5:20 lid 1 Awb. Op het moment dat de NMa de vordering tot medewerking aan X richtte, was sprake van een redelijk vermoeden van overtreding van art. 6 Mw en/of art. 81 EG begaan door de onderneming waar X in de relevante periode werkzaam is geweest. In art. 53 lid 1 Mw is bepaald dat indien de met het onderzoek belaste ambtenaren een redelijk vermoeden hebben dat een bepaalde onderneming een overtreding heeft begaan, er geen verplichting aan de zijde van de onderneming is ter zake een verklaring af te leggen en dat de betrokkenen hiervan in kennis worden gesteld voordat hun mondeling ter zake om informatie wordt gevraagd. Vraag is hoe de in art. 53 lid 1 Mw opgenomen zinsnede "aan de zijde van de onderneming" moet worden uitgelegd. De uitleg die NMa voorstaat leidt tot een beperking van de reikwijdte van het zwijgrecht tot degenen die bij de onderneming werkzaam zijn op het moment waarop het verhoor plaatsvindt. Het College overweegt dat noch de tekst van art. 53 lid 1 Mw, noch de wetsgeschiedenis dwingt tot deze beperking, die de onderneming een effectieve bescherming door middel van het zwijgrecht zou ontnemen. Het beëindigd zijn van het dienstverband vormt geen rechtvaardiging voor een verval van het zwijgrecht. De ruime medewerkingsplicht, voorzien in art. 5:20 Awb, verdraagt zich niet met een dergelijke beperking van de kring van personen die zich op grond van art. 53 lid 1 Mw op hun zwijgrecht kunnen beroepen. Aan X in…

Verder lezen
Terug naar overzicht