Terbeschikkingstellingsregeling en vruchtgebruik


Wet IB 2001

Hof Amsterdam heeft op 28 mei 2009 uitspraak gedaan over toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling (‘tbs- regeling’) in box 1 bij vestiging van een recht van vruchtgebruik ten gunste van de eigen bv. Tevens kwam aan de orde wie afschrijvingsgerechtigd is tot de opstallen. De feiten waren als volgt.

Belanghebbende A (natuurlijk persoon) is eigenaar van een tweetal onroerende zaken en houdt voorts 100% van de aandelen in A Beheer bv.

Belanghebbende heeft ten gunste A Beheer bv een recht van vruchtgebruik gevestigd op de onroerende zaken met een looptijd van 24 respectievelijk 30 jaar. De rechten eindigen in 2016.

Het vruchtgebruik met een looptijd van 24 jaar kwalificeert als zogeheten ‘tijdelijk genotsrecht’ en het vruchtgebruik met een looptijd van 30 jaar als ‘niet- tijdelijk genotsrecht’ in de zin van de per 1 januari 2001 vervallen Wet IB 1964.

In geschil was in de eerste plaats of ook het 30 – jarige (‘niet-tijdelijk genotsrecht’) valt onder de huidige de tbs – regeling van box 1? Volgens het hof was dit het geval; noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van art. 3.92 Wet IB 2001 laten immers ruimte voor een onderscheid en tijdelijke en niet – tijdelijke genotsrechten. De tbs - regeling is aldus het hof op beide onroerende zaken van toepassing.

Het in aanmerking te nemen rendement in box 1 wordt behaald door het ‘vollopen’ van de waarde van de blote eigendom naarmate de duur van het vruchtgebruik verstrijkt.

Het hof merkt daarbij op dat de door de inspecteur en belanghebbende voorgestane lineaire methode van berekenen van het waardeverloop bloot…

Verder lezen
Terug naar overzicht