Terechte vrijval HIR ondanks stelling belanghebbende dat vervangingsvoornemen steeds heeft ontbroken (art. 81 Wet RO)


Samenvatting

In 2008 verkoopt belanghebbende haar onroerende zaak en haar onderneming. Belanghebbende vormt voor de boekwinst een herinvesteringsreserve (HIR). In de aangifte VPB 2011 neemt belanghebbende geen HIR op. Ook is er geen winst met betrekking tot een vrijval van de HIR aangegeven. Bij het opleggen van de aanslag VPB 2011 past de inspecteur vrijval van de HIR toe. Met Rechtbank Noord-Holland is Hof Amsterdam (3 januari 2017, nr. 15/00788, NTFR 2017/475) van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat het vormen van de HIR eind 2008 op een fout berustte, en dat nooit een vervangingsvoornemen heeft bestaan. Het vereiste dat een herinvesteringsvoornemen aanwezig moet zijn, acht het hof een elementaire, en bepaald niet ingewikkeld of moeilijk te begrijpen, voorwaarde voor het vormen van een HIR. Verondersteld mag worden dat belanghebbende bij het vormen van de HIR (en het aanhouden daarvan) inderdaad over het noodzakelijke herinvesteringsvoornemen beschikte. De inspecteur heeft dus terecht de HIR in 2011 laten vrijvallen. Zelfs indien, zoals belanghebbende stelt, de HIR ten onrechte zou zijn gevormd (en aangehouden), kan haar dit niet baten. Een ten onrechte gevormde HIR vormt een fout die op grond van de foutenleer hersteld kan worden. Belanghebbende heeft pas in de beroepsfase de stelling ingenomen dat een vervangingsvoornemen steeds heeft ontbroken. De inspecteur kon deze (beweerde) fout redelijkerwijs niet eerder ontdekken. De aanslagen over de voorgaande jaren stonden toen onherroepelijk vast. De inspecteur heeft daarom de (beweerde) fout op de juiste wijze en in het juiste jaar hersteld.

De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond…

Verder lezen
Terug naar overzicht