Tijdsevenredige verlaging box 3-heffing ook al was erflater het hele jaar partner


M en V zijn met elkaar gehuwd. M overlijdt op 27 april 2001. Zijn erfgenamen hebben samen met V in de IB-aangifte voor het betreffende jaar gekozen voor het voljaarspartnerschap als bedoeld in artikel 2.17 lid 7 Wet IB 2001. Hierdoor wordt M voor de toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de bestanddelen van box 3 geacht het gehele kalenderjaar V tot partner te hebben gehad. Verder zijn alle vermogensbestanddelen van box 3 van M en V op de voet van artikel 2.17 lid 2 Wet IB 2001 aan M toegerekend.

Bij het bepalen van M's box 3-inkomen heeft de inspecteur 31 december 2001 als einddatum genomen en het box 3-inkomen gesteld op 4% van de gemiddelde rendementsgrondslag.

Volgens het Hof is de berekening van de inspecteur onjuist, omdat de einddatum op de overlijdensdatum van M moet worden gesteld. Vervolgens heeft het Hof op de voet van artikel 5.3 lid 5 Wet IB 2001 het forfaitaire rendement van 4% herleid naar de volle kalendermaanden waarin M in 2001 nog in leven was, derhalve 3/12 x 4% = 1%.

In cassatie stelt de staatssecretaris van Financiën dat door de keuze voor voljaarspartnerschap M geacht wordt op 31 december 2001 te zijn overleden zodat er geen plaats is om het forfaitaire rendement tijdsevenredig te verlagen. De Hoge Raad verwerpt dit betoog omdat deze opvatting noch uit de wettekst noch uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden.

HR; 8 september 2006; nr 41652

Verder lezen