Uitblijven voorlopige aanslag na indiening aangifte leidt tot vermindering van de heffingsrente


Samenvatting

Eiser heeft in 2005 zijn onderneming gestaakt. Partijen hebben in mei 2006 overeenstemming bereikt over de waarde van de bedrijfspanden op de stakingsdatum. Op 17 juli 2006 heeft eiser zijn aangifte over 2005 ingediend. De voorlopige aanslag over 2005 is op 31 juli 2007 opgelegd, waarbij € 22.402 aan heffingsrente in rekening is gebracht.

De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst na ontvangst van de aangifte in staat was om een (voorlopige) aanslag over 2005 op te leggen. Verweerder heeft voor het uitblijven daarvan geen andere verklaring gegeven dan dat er vertragingen in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst zijn opgetreden. Dit dient niet volledig voor rekening en risico van eiser te komen. De rechtbank past in het onderhavige geval het in het besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110M neergelegde beleid toe. Dit houdt in dat de heffingsrente over de periode die begint drie maanden na indiening van de aangifte achterwege blijft. De heffingsrente wordt dan ook verminderd met de heffingsrente die over de periode 17 oktober 2006 tot 31 juli 2007 is berekend.

(Beroep gegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht