Uitgaven voor levensonderhoud van studerende dochter aftrekbaar


Samenvatting

Belanghebbende heeft een inwonende dochter. De dochter, geboren in 1981, volgt een opleiding. De dochter heeft geen recht op studiefinanciering. Belanghebbende heeft geen recht op kinderbijslag. Het vermogen van de dochter bedraagt ongeveer € 18.000. Haar inkomen is ongeveer € 3.000. Belanghebbende heeft de dochter grotendeels onderhouden. Hij wenst deze kosten als uitgaven voor levensonderhoud in aftrek te brengen. Zowel bij Hof Amsterdam als bij de Hoge Raad wordt hij in het gelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad kon belanghebbende, gelet op de feiten en de op hem rustende verplichting als bedoeld in art. 1:395a BW, zich redelijkerwijs gedrongen voelen tot het doen van de onderwerpelijke uitgaven voor levensonderhoud.

Feiten

3.1.1. Belanghebbende is gehuwd en heeft twee dochters. Een van de dochters, geboren in 1981, (hierna: de dochter) volgde in de eerste drie kwartalen van het jaar 2002 een opleiding bij B (hierna: B). Zij had geen recht op studiefinanciering en belanghebbende en zijn echtgenote hadden geen recht op kinderbijslag voor haar. De dochter woonde in het onderhavige jaar bij belanghebbende en zijn echtgenote thuis.

3.1.2. De inkomsten van de dochter in de eerste drie kwartalen van het jaar 2002 bestonden uit: inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 704, een vergoeding van B van € 1.813 en rente op een bankrekening van € 565. Het vermogen van de dochter beliep begin respectievelijk ultimo 2002 € 17.037 onderscheidenlijk € 18.997.

3.1.3. Belanghebbende heeft de dochter in de eerste…

Verder lezen
Terug naar overzicht