Uitsluiting buitenlandse dochter van fiscale eenheid niet in strijd met vrijheid van vestiging


Samenvatting

X holding, die in Nederland is gevestigd, is de enige aandeelhouder van de vennootschap naar Belgisch recht F, die in België is gevestigd en in Nederland niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Beide vennootschappen hebben het verzoek gedaan om als fiscale eenheid te worden aangemerkt. De Belastingdienst heeft dit verzoek afgewezen omdat F haar zetel niet in Nederland heeft. Nadat X holding deze afwijzing in eerste aanleg tevergeefs had aangevochten, heeft zij cassatieberoep bij de Hoge Raad ingesteld op grond van schending van de in art. 43 EG-Verdrag en art. 48 EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging. De Hoge Raad heeft vervolgens het Hof van Justitie EU (HvJ EU) prejudiciële vragen gesteld. Het HvJ EU constateert dat wanneer vennootschappen van het regime van de fiscale eenheid worden uitgesloten, het voor de moedervennootschap minder aantrekkelijk kan zijn om haar vrijheid van vestiging uit te oefenen doordat zij ervan wordt afgeschrikt om dochterondernemingen in andere lidstaten op te richten. Dat is slechts toelaatbaar op voorwaarde dat het betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang. Volgens het HvJ EU is vanuit de doelstelling van de regeling sprake van objectief vergelijkbare gevallen. De regeling is echter gerechtvaardigd om de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven. De moedervennootschap zou namelijk vrij kunnen beslissen om een fiscale eenheid te vormen en weer op te heffen, waardoor bepaald kan worden waar de verliezen van de dochteronderneming verrekend kunnen worden. De regeling gaat niet verder dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken. Dochterondernemingen in een andere lidstaat zijn niet vergelijkbaar met…

Verder lezen
Terug naar overzicht