Verhouding verlofdagen en gewerkte dagen moet worden beoordeeld over een periode van een jaar


Samenvatting

Belanghebbende verzoekt in zijn IB-aangifte 2012 om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Belanghebbende is van 14 november 2012 tot en 15 december 2012 en van 2 maart 2013 tot en met 12 april 2013 werkzaam geweest in Angola. Tussen die beide periodes had belanghebbende 56 dagen verlof, was hij vijf dagen ziek en had hij elf dagen cursus. In geschil is of de periode van 14 november tot 12 april een aaneengesloten periode is van minstens drie maanden met gewone arbeidsonderbreking, waarmee belanghebbende op grond van art. 38, lid 1 en 2, AWR aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zou toekomen. Meer in het bijzonder is de vraag of er een wanverhouding bestaat tussen de verlofdagen en de gewerkte tijd, zoals de inspecteur stelt. De rechtbank is van oordeel dat de evenredigheid van de verlofdagen ten opzichte van de gewerkte dagen over een langere periode (van 365 dagen) mag worden berekend. Gerekend met die periode vanaf 13 november 2012 zijn er 187 gewerkte dagen en vanaf 2 maart 2013 zijn er 189 gewerkte dagen, zodat er in het geval van belanghebbende normaliter sprake is van een evenredigheid in verlofdagen en gewerkte dagen in een verhouding 1:1. Daarmee bestaat voldoende evenredigheid tussen de feitelijke gewerkte tijd en het genoten verlof. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat deze verhouding in de aanslag IB 2013 is geaccepteerd.

(Beroep gegrond.)

Commentaar

De uitspraak van de rechtbank betreft de zogenoemde Cyprusfaciliteit van art. 38, lid 2, AWR. Deze faciliteit biedt een versoepeling bij de voorkoming van dubbele belasting voor buitenlands arbeidsinkomen in niet-verdragssituaties. Als hoofdregel is op…

Verder lezen
Terug naar overzicht