Verhuur van ligplaatsen voor pleziervaartuigen is niet het geven van gelegenheid tot kamperen


Samenvatting

Belanghebbende, ondernemer in de zin van de Wet OB 1968, exploiteert een passantenhaven voor recreanten. Naast het ter beschikking stellen van een ligplaats voor een korte periode wordt aan de opvarenden een aantal voorzieningen geboden, zoals sanitair, wasserette, winkel, auto- en fietsverhuur, café-restaurant en diverse speel- en recreatievoorzieningen. Voor de meeste voorzieningen wordt afzonderlijk een vergoeding gevraagd. Rechtbank Haarlem heeft de stelling van belanghebbende, dat deze samengestelde dienst kwalificeert als het gelegenheid geven tot kamperen, afgewezen. Het hof is het hiermee eens en oordeelt, na het raadplegen van Van Dale Groot Woordenboek, dat een pleziervaartuig een heel ander karakter heeft dan een tent of caravan. De recreatieve waarde van een pleziervaartuig is de mogelijkheid om zich op recreatieve wijze verplaatsen. Dat geldt niet voor een tent of caravan. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verhuur van ligplaatsen voor boten inclusief aanvullende diensten, valt onder het begrip verhuur van parkeerruimte voor voertuigen.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Enige moed kan belanghebbende niet worden ontzegd. Voordat de procedure begon, stond zij al 2-0 achter. Ten eerste door het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1978 (BNB 1979/18). Daarin is overwogen dat het verstrekken van een ligplaats aan recreanten (passanten), die voor een korte periode in de jachthaven met hun pleziervaartuigen hebben aangelegd, niet wordt begrepen onder het geven van gelegenheid tot kamperen als bedoeld in Tabel I.

Daarnaast heeft het Hof van Justitie EG in de zaak van 3 maart 2005 (C-428/02, Marselisborg, NTFR 2005/…

Verder lezen
Terug naar overzicht