Verhuurderheffing 2014: grondslag moet verminderd worden met te koop staande woningen


Samenvatting

Belanghebbende is eigenaar van 328 huurwoningen en heeft daarvoor aangifte verhuurderheffing gedaan. Tegen de voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Na ongegrondverklaring is zij in beroep gekomen. De rechtbank oordeelt dat de Verhuurderheffing 2014 niet in strijd is met art. 1 EP (bij het EVRM). Ook is in het geval van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last, of strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Enkele van de woningen staan te koop en zijn dus niet voor verhuur bestemd. Daarom moet de heffingsmaatstaf verlaagd worden met de WOZ-waarden van de te koop staande woningen.

(Beroep gegrond.)

Commentaar

Dit is een bijzonder interessante uitspraak, en niet vanwege het primaire, het subsidiaire of het meer subsidiaire standpunt. Echter, in het meest subsidiaire standpunt wordt er opeens een nieuwe stelling ingenomen en toegewezen. De eerste drie standpunten kunnen weinig vernieuwend worden genoemd. Primair bepleit de belastingplichtige dat de verhuurderheffing in strijd is met art. 1 EP (bij het EVRM). Subsidiair bepleit zij dat deze een buitensporige last voor haar vormt zonder verdere individuele onderbouwing en meer subsidiair bepleit zij dat de verhuurderheffing discriminerend uitwerkt. De rechtbank doet deze drie grieven snel af. Dat mag bijna geen verbazing meer oproepen na het lezen van de arresten die over deze vraagstukken al gewezen zijn. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 22 maart 2016, nr. 15/3429, NTFR 2016/1240, met commentaar van de redactie; Rechtbank Noord-Holland 6 april 2016, nr. 14/3162, NTFR 2016/1739, met commentaar van Van den Berg en Rechtbank Noord-Holland 18 mei…

Verder lezen
Terug naar overzicht