Verhuurderheffing voor particulier geen buitensporige last


Samenvatting

Belanghebbende is eigenaar van 26 huurwoningen waarvan de huurprijs onder de huurtoeslaggrens ligt. Voor deze woningen had belanghebbende een huur boven die grens kunnen bedingen, maar door wettelijke huurbeschermingsregels en het feit dat de huurders de woningen al lange tijd huren, ligt de huur onder die grens. Belanghebbende heeft conform de wettelijke regels verhuurderheffing voldaan. Belanghebbende komt hiertegen in beroep. De rechtbank verwerpt de stelling dat alleen woningcorporaties belastingplichtig zijn voor de verhuurderheffing. Dat blijkt niet uit de tekst van de wet en uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onderkend is dat ook particuliere verhuurders onder de heffing zouden kunnen vallen. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van schending van het eigendomsrecht. Er is geen sprake van schending van de zogeheten fair balance. De regeling is getroffen om de overheidsfinanciën te versterken en belastingheffing op onroerende zaken heeft daarbij het minst verstorende effect op het bnp per hoofd van de bevolking. Daarnaast is ervoor gekozen om ook particuliere verhuurders in de heffing te betrekken omdat deze ook belang hebben bij het rijksbeleid van de gereguleerde huurmarkt. Deze keuzes zijn binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Belanghebbende wordt relatief zwaarder getroffen omdat haar huuropbrengst minder in verhouding staat tot de WOZ-waardes, maar dat is in dit geval onvoldoende om te kunnen spreken van een excessieve last.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Deze uitspraak hoort wederom in het rijtje uitspraken thuis waarin wordt geoordeeld dat de verhuurderheffing legitiem is en dus niet in strijd met art. 1 EP (bij het EVRM). Evenmin is er sprake van een individuele buitensporige…

Verder lezen
Terug naar overzicht