Verjarende verkrijging door huurder


Hof Leeuwarden heeft onlangs geoordeeld over de vraag of een huurder naastgelegen grond door verjaring heeft verkregen of niet.

De casus was als volgt. Een huurder huurde sinds 2007 een woning van een woningcorporatie. Naast de woning ligt een perceel gemeentegrond die de huurder sinds vier jaar gebruikt. De huurder stelde dat hij door verjaring eigenaar is geworden van die grond. De huurder stelde hierbij dat de grond al meer dan twintig jaar in het bezit was van de vorige huurders. De gemeente bestreed deze stelling.

Het hof gaf de gemeente gelijk en stelde: ‘Volgens het Hof is in artikel 3:105 BW - voor zover van belang - bepaald dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, het goed verkrijgt ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.’ Vorenbedoelde verjaring is volgens het hof op grond van art. 3:306 BW voltooid nadat twintig jaar zijn verstreken sinds het moment dat de niet-rechthebbende bezitter van het goed is geworden.

Het hof stelde dat huurder en zijn rechtsvoorgangers het perceel grond niet ‘in bezit’ hebben gehad en zulks is op grond van de wet wel een vereiste en artikel 3:107 BW bepaalt dat van ‘bezit’ slechts sprake kan zijn indien men een goed voor zichzelf houdt. Dat is in dit geval niet de situatie volgens het hof. Het hof oordeelde dat huurder en de vorige huurders de grond in gebruik hebben in verband met en op grond van de huurovereenkomst van hun woning. Immers, huurder had zelf gesteld de grond tot het gehuurde…

Verder lezen
Terug naar overzicht