Veroordeling tot bloedonderzoek voor vaststelling vaderschap


M en V hebben na beëindiging van hun relatie nog eenmalig seksueel contact gehad. V stelt dat M dientengevolge de verwekker is van haar kind en verzoekt veroordeling van M in de verzorgings- en opvoedingskosten van K bij te dragen. M bestrijdt dat hij de verwekker van K is omdat V destijds aangaf dat zij de anticonceptiepil gebruikte. Voorts stelt hij dat uit in Amerika uitgevoerd DNA-onderzoek naar wangslijm van K en hem is gebleken dat hij niet de vader is. M verzoekt de rechter V niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, gezien het verrichte DNA-onderzoek en het feit dat V zich niet bij de uitkomst neerlegt, een deskundige te benoemen.

De Rechtbank oordeelt dat het verzoek van M tot niet-ontvankelijkheid van V dient te worden gepasseerd. Uit de destijds tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt evident dat V, in geval de uitslag van het in Amerika te verrichten DNA-onderzoek inhoudt dat M niet de vader is van K, zich het recht voorbehoudt om in de procedure bij de Rechtbank een extra Nederlandse vaderschapstest te eisen, uit te voeren door een door de Rechtbank te benoemen deskundige. De Rechtbank oordeelt dat aan die afspraak tussen partijen gevolg moet worden gegeven. In het kader van te beantwoorden vragen inzake afstamming is het gebruikelijk dat de Rechtbank, indien zij overgaat tot benoeming van een deskundige, deze deskundige de opdracht geeft onderzoek te doen naar, in afwijking van voornoemd reeds in Amerika plaatsgevonden DNA-onderzoek, het bloed van de betrokkenen met betrekking tot de vraag of de betreffende man de verwekker is van het kind.

De Rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek naar het bloed van M, V en K ter beantwoording van de vraag of M de verwekker is.

rb. maastricht; 14 juli 2004; nr 85868 / FA RK 03-1042

Verder lezen