Verplichte bloedtest in strafzaken
Per 1 juli 2010 is de 'wet verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken' in werking getreden.
Met deze wet wordt een wijziging in artikel 151 van het Wetboek van Strafvordering aangebracht, waardoor het mogelijk wordt dat een verdachte wordt verplicht mee te werken aan (bloed)onderzoek. Met het onderzoek kan worden vastgesteld of hij drager is van een virus dat bij het plegen van het strafbare feit is overgedragen op het slachtoffer. Als ernstige besmettelijke ziekten in het kader waarvan bloedonderzoek bevolen kan worden, worden aangewezen:
-
human immunodeficiency virus;
-
hepatitius B; en
-
hepatitus C.
Uitgangspunt is dat de verdachte vrijwillig kan meewerken aan de bloedafname en het verdere onderzoek.
Indien de verdachte niet bereid is vrijwillig mee te werken, kan deze medewerking worden afgedwongen, na een bevel van de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris.
De opname van de regeling in het Wetboek van Strafvordering is door de wetgever noodzakelijk geoordeeld gelet op de belangen van het slachtoffer.
Het onderzoek vindt in de regel plaats door bloedafname, dat gezien wordt als een geneeskundige handeling. Een arts of verpleegkundige zal deze handeling dienen uit te voeren, eventueel afgedwongen met hulp van de sterke arm.
Wat betekent dit voor de praktijk in instellingen van geestelijke gezondheidszorg?
Stel dat er een patiënt op de afdeling is die in het verleden heroïne heeft gebruikt; onbekend is of deze patiënt besmet is met het hiv-virus, want hij heeft tot nu toe geweigerd zich te laten testen. Er zijn wel redelijke vermoedens, gezien zijn gebruikersverleden. De hulpverleners beschermen zich daarom zo goed mogelijk als zij deze…