Vervaardiging nieuwe onroerende zaak en verbouwing


Wet OB 1968

De Hoge Raad heeft zich op 19 november 2010 uitgesproken over de vraag wanneer zich nu een vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak voordoet.

Belanghebbende VOF X houdt zich bezig met (van btw vrijgestelde) kinderopvang. VOF X heeft in 2001 een woon-, winkelpand verworven dat voorheen in gebruik was bij een derde. De VOF heeft het pand vrij ingrijpend verbouwd tot kinderdagverblijf waarbij de indeling geheel is gewijzigd: de voorpui op de begane grond is vernieuwd en een speelplaats wordt aangelegd. In geschil is of, zoals de inspecteur stelde, voor btw-doeleinden een nieuw vervaardigde onroerende zaak is ontstaan.

Hof Den Bosch was, in lijn met de jurisprudentie van de afgelopen jaren, van mening dat naar maatschappelijke opvattingen een nieuw vervaardigde onroerende zaak was ontstaan door te kijken naar de gewijzigde functie van het pand en de relatieve omvang van de gemaakte kosten bij de verbouwing. Dat het pand qua uiterlijk niet ingrijpend was gewijzigd deed daar volgens het hof niet aan af.

De Hoge Raad is tot een andere conclusie gekomen en oordeelt onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (Van Dijk’s Boekhuis-arrest) dat pas sprake is van vervaardiging van een goed indien een goed wordt voortgebracht dat tevoren niet bestond. Met betrekking tot onroerende zaken is – volgens de Hoge Raad – slechts sprake van ‘vervaardigen’ indien door de werkzaamheden in wezen nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Er moet volgens de Hoge Raad derhalve sprake zijn van een qua uiterlijk nieuw pand.

[HR 19 november 2010, nr. 08/01021]

Verder lezen
Terug naar overzicht