Verzoek gronden mocht per e-mail worden verstuurd


Samenvatting

Belanghebbende maakt per post en per e-mail pro-formabezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Op 28 november 2016 verzoekt de heffingsambtenaar per e-mail belanghebbende de gronden aan te vullen. Omdat een reactie uitblijft, stuurt de heffingsambtenaar op 29 december 2016 per e-mail een rappel aan belanghebbende. Omdat wederom een reactie uitblijft, verklaart de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende komt tegen de niet-ontvankelijkverklaring in beroep. Belanghebbende stelt dat hij de e-mails niet heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat omdat belanghebbende per e-mail bezwaar heeft gemaakt, hij de stukken op dat adres toegestuurd heeft gekregen en de gemachtigde van belanghebbende eerder dit e-mailadres heeft gebruikt, belanghebbende op dat e-mailadres voldoende bereikbaar was en dat de heffingsambtenaar daar ook van uit mocht gaan. Er is derhalve voldaan aan de voorwaarde van art. 2:14 Awb. Dat stelling dat belanghebbende de e-mails niet heeft ontvangen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

De moderne communicatiemiddelen beginnen tot de rechtspraak door te dringen en brengen hun eigen ontvankelijkheidsvraagstukken mee. In deze zaak gaat het om een gemeente en niet om de Belastingdienst. Dan gelden de regels van de Awb onverkort. De gemeente Breda heeft kennelijk op grond van art. 2:15 Awb geen nadere eisen gesteld aan de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de elektronische weg zoals de Belastingdienst dit doet en de gemeente Den Haag in de casus van HR 7 september 2017, nr. 17/00877, NTFR 2017/2120. …

Verder lezen
Terug naar overzicht