Verzoek om BOF toe te passen moet tijdig worden gedaan! (2015.12.3003)


De redactie van NTFR bespreekt de uitspraak van de Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer betreffende de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor de Successiewet.

In casu hadden de erven van een agrarische onderneming in 2006 verzocht om toepassing van BOF over het jaar 2002. De inspecteur oordeelde dat dit verzoek niet tijdig was gedaan. De commissie acht het oordeel van de inspecteur juist.

Het doen van een formeel verzoek is een verantwoordelijkheid die bij de erfgenamen of hun adviseur berust (zie tevens het beleidsbesluit van 16 maart 2004, nr. CPP2003/1717M, FBN 2004, nr. 43). Het verzoek was in casu door de erfgenamen gedaan nadat de definitieve aanslagen erfbelasting in 2005 waren opgelegd. Op grond van het besluit is ambtshalve vermindering van de aanslagen, nadat deze onherroepelijk zijn geworden, niet meer mogelijk. De Commissie is van oordeel dat de toepassing van de BOF terecht is geweigerd.

De redactie van NTFR wijst erop dat de wet (thans: art. 35b lid 7 SW) duidelijk volgt dat het verzoek om toepassing van de BOF gelijktijdig met de aangifte erfbelasting moet worden gedaan. In de beleidsbesluiten over de BOF is de verzoektermijn steeds opgerekt tot uiterlijk tot het moment waarop de aanslag onherroepelijk vaststaat. Uitgangspunt is dat bij een te laat verzoek de BOF niet ambtshalve zal worden toegepast. Zie thans onderdeel 2 van het besluit van 17 januari 2013, nr. BLKB2012/1221M, Notafax 2013/30.
Voor toepassing van BOF moet de verkrijger de onderneming ten minste vijf jaar voortzetten. De erfgenamen kunnen samen voortzetten, maar in de praktijk zal een erfgenaam of zullen enkele erfgenamen feitelijk voortzetten. In de praktijk kan er enige tijd overheen gaan voordat de erfgenamen hebben uitgemaakt wie van hen voortzet. De regeling biedt daarvoor ruimte (vgl. art. 35f SW 1956). Voor het jaar 2002 regelde art. 53a lid 1 SW dat in het geval van een wijziging in de gerechtigdheid tot het ondernemingsvermogen na het opleggen van de aanslag door de verdeling van de nalatenschap de (conserverende) aanslagen in overeenstemming met de verdeling werden gebracht. De nalatenschap moest dan binnen twee jaar na overlijden zijn verdeeld en door de uiteindelijke verkrijger moest hiertoe binnen acht maanden na die verdeling een verzoek worden gedaan.

De inspecteur had in 2005 de definitieve aanslag erfbelasting (destijds successierecht) opgelegd, omdat de driejaarstermijn van art. 11 AWR anders zou verlopen. De drie erfgenamen waren er op dat moment nog niet uit wie de onderneming(en) zou voortzetten. Omdat geen verzoek bij de aangifte was gedaan en inmiddels ook de bezwaartermijn was verstreken, kon geen verzoek om de BOF toe te passen meer worden gedaan (vgl. HR 13 december 2013, nr. 13/00938, NTFR 2013/2608). Uit de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, nr. 11/00328, NTFR 2013/242 volgt dat als de intentie voor het maken van bezwaar ontbreekt, een brief geen bezwaarschrift kan zijn. De redactie wijst erop dat de erfgenamen hun rechten op de BOF veilig hadden kunnen stellen door wel tijdig een verzoek te doen. Door een tijdig verzoek wordt de faciliteit teruggenomen bij de erfgenaam voor het deel dat binnen de voortzettingsperiode aan een andere erfgenaam wordt toegedeeld.

Commissie Verzoekschriften Tweede Kamer 29 januari 2015, 34 028, nr. 8, NTFR 2015/920 (JB)

Verder lezen
Terug naar overzicht