Vestigingsvrijheid verplicht Nederland niet een tegemoetkoming voor Belgische personenbelasting te geven


Samenvatting

Belanghebbende woont in België en drijft een onderneming in Nederland. Op grond van het Verdrag Nederland-België is de belastingheffing over deze winst toegewezen aan Nederland. De aanslag is conform de Wet IB 2001 aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende heeft in België een bedrag aan personenbelasting betaald dat uitsluitend bestond uit de zogenoemde gemeentelijke opcentiemen. De inspecteur heeft hiervoor geen vermindering verleend. Hof Den Bosch (NTFR 2008/1327) achtte dat juist en oordeelde dat art. 43 EG-Verdrag Nederland daartoe niet verplicht. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel juist.

(Cassatieberoep ongegrond.)

Feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar in België en dreef een onderneming in Nederland. De aanslag, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.630, is vastgesteld in overeenstemming met de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar, samen met haar echtgenoot, in België € 4.396,55 aan personenbelasting betaald. Dit bedrag bestond uitsluitend uit de zogenoemde gemeentelijke opcentiemen, die worden berekend over het volgens de bepalingen van de Belgische belastingwet vastgestelde inkomen van de belastingplichtige. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur geen vermindering verleend in verband met dit bedrag.

Geschil

3.2. Voor het Hof was – voor zover in cassatie van belang – in geschil of artikel 43 EG Nederland verplicht belanghebbende een tegemoetkoming te verlenen voor de in België geheven personenbelasting.

Rechtsoverwegingen

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de relevante Nederlandse regelgeving geen verboden discriminatie naar nationaliteit bevat. Nederland is niet gehouden belanghebbende een tegemoetkoming voor…

Verder lezen
Terug naar overzicht