Naar de inhoud

Voor wie treedt de faillissementscurator q.q. als procespartij op? (I)

1. Inleidende opmerkingen

De schuldenaar verliest door zijn faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen (art. 24 Fw). Hieronder valt ook de bevoegdheid tot procederen. Na de faillietverklaring worden lopende procedures inzake rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, geschorst. Dergelijke vorderingen dienen in de verificatieprocedure (verder) geldend te worden gemaakt (art. 26 Fw). Alleen betwisting van de verificatie van de vordering door de curator (en/of een of meer van de andere schuldeisers) leidt tot voortzetting van de eerder geschorste procedure voor de rechter (art. 29 Fw), net zoals betwisting van een door een schuldeiser ter verificatie ingediende vordering door de curator (en/of een of meer van de andere schuldeisers) tot een renvooi-procedure leidt (art. 122 Fw). Gaat het om rechtsvorderingen die rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorend betreffen, dan worden deze zowel tegen als door de curator ingesteld (art. 25 lid 1 Fw). Voor dergelijke, ten tijde van de faillietverklaring lopende procedures is in art. 27 en 28 Fw aangegeven hoe deze als boedelzaak verder kunnen lopen.

In procedures die door de curator ten name van de boedel worden gevoerd, is de gefailleerde geen procespartij. Dit geldt ook voor procedures die aanvankelijk op naam van de schuldenaar liepen of voor renvooiprocedures. ‘Juist omdat hij ter zake van het geschil, waarover het proces loopt, niet in rechte mag optreden, is die taak aan de curator toevertrouwd’, wordt dienaangaande in de Memorie van Toelichting opgemerkt.2 Dit kwam…